14 Smalle Beek

De beekdalen van de Smalle beek en Het Loopje wateren af naar het noorden, volgens de algemene helling van het landschap. In het gebied van de Smalle Beek liggen erg oude klei- en zandlagen dicht onder het oppervlak. Ongeveer 2 miljoen jaar geleden, in het begin van het Pleistoceen, was het gebied onderdeel van een groot estuarium van Rijn en Maas, waarin vanuit het zuiden ook rivieren uit het Scheldebekken uitmondden. In dit estuarium werd tussen 2 en 1,6 miljoen jaar geleden een afwisseling van zandige en kleiige lagen afgezet die nu op enkele meters onder het oppervlak liggen (Formatie van Waalre).

51.502099219966, 4.3725867

Erosie tijdens de Pleistocene ijstijden

Na de afzetting van de Formatie van Waalre verplaatsten de lopen van Rijn en Maas zich uit het gebied. Vanaf ca. 1 miljoen jaar geleden kwam West-Brabant geleidelijk omhoog en werd het grootste deel van de afzettingen uit het Scheldebekken weer geërodeerd tijdens opeenvolgende ijstijden. In het gebied van de Smalle Beek komen hier en daar nog restanten van deze oude Schelde-afzettingen voor van enkele meter dik. Van de lange periode van 1,5 miljoen jaar tussen deze Vroeg-Pleistocene afzettingen en het dekzand uit de laatste ijstijd is meestal alleen een dun grindlaagje op het grensvlak tussen beide overgebleven. Dit grindlaagje is het laatste restant van de dikke pakketten die meer dan een miljoen jaar geleden door de rivieren uit het Scheldebekken boven op de Formatie van Waalre zijn afgezet. Het grind, ook wel ‘Scheldegrind’ genoemd, bleef achter nadat de fijnere delen uit deze afzettingen waren weggespoeld door beken of weggestoven door de wind.
 

Het einde van de laatste ijstijd

Op het einde van de laatste ijstijd was West-Brabant onderdeel van een uitgestrekte poolwoestijn met een bovenste laag van dekzand. De beken stroomden door brede dalen en hadden een ‘verwilderde’ of ‘vlechtende’ loop met vele geulen die in korte tijd veel water vervoerden maar een groot deel van het jaar droog stonden. Tijdens de zomer kwam veel water vrij en werd dit water snel aan het oppervlak afgevoerd samen met zand en leem. Tijdens het Laatglaciaal, van ca. 14.500 tot 12.000 jaar geleden, begon het klimaat op te warmen en nam de vegetatie toe. De beken gingen daardoor over in meanderende waterlopen met één enkele stroomgeul en duidelijke bochten. Tijdens natte perioden kenden de beken nog wel grote piekafvoeren, waardoor ze zich in de ondergrond gingen insnijden. In de dalen van Brabantse beken treffen we dan ook onder de huidige beekdalbodem een diepe smalle geul aan die zelfs bij kleine beken zoals de Smalle Beek zes meter diep kan zijn maar slechts enkele tientallen meters breed. 

Het Holoceen

Bij de snelle klimaatsverbetering aan het begin van het Holoceen, ongeveer 12.000 jaar geleden, verminderde de waterafvoer sterk. Hierdoor vulden de beekdalen zich geleidelijk met fijne afzettingen als zand, leem en veen. Die vlakten het reliëf af waardoor ook van de diepe insnijding uit het Laatglaciaal in het huidige landschap niets meer te zien is. Van vele Brabantse beken is de van nature meanderende loop door de mens rechtgetrokken. Dat is in de jaren 1930 ook gebeurd bij de Smalle Beek en het Loopje.