27 Nieuw-Namen

Nieuw-Namen is de enige plaats in Nederland waar Boven-Pliocene afzettingen van de Formatie van Oosterhout aan de oppervlakte voorkomen. Deze zijn ter plaatse ontsloten in de 'Meester Van der Heijden' groeve. De afzettingen werden oorspronkelijk gevormd op het strand van een ondiepe zee en nadien door erosie van het omliggende landschap 'uitgeprepareerd' in de vorm van een lage getuigeheuvel. Deze heuvel wordt nu langs alle kanten omringd door de veel jongere zeeklei van de Scheldepolders die lager liggen, op de heuvel ligt het dorp Nieuw-Namen en het aangrenzende Kieldrecht.

51.328926788637, 4.1754693

Ontstaan van het landschap

De 'Meester Van der Heijden-groeve' bevindt zich ongeveer op het hoogste punt van Nieuw-Namen. De belangrijkste in de groeve zichtbare afzettingen zijn schelphoudende zanden die in Nederland worden benoemd als Formatie van Oosterhout (Plioceen) en in België als Formatie van Lillo. Opvallende elementen in de groeve zijn de roestbruine zanden bovenin en de gele gelaagde zanden onderin, met daarin een aantal harde ijzerzandsteenbanken die uit de wand steken. De twee zandlagen worden gescheiden door een dikke laag van door kalk aaneen gekitte schelpfragmenten (schelpenbreccie). Er is dus een duidelijke tweedeling: onderin zand dat werd afgezet tijdens het warme Plioceen, daarboven dekzand dat door de wind tijdens de ijstijd over het landschap werd geblazen. Tussen beide bevindt zich een groot tijdshiaat van ongeveer drie miljoen jaar.

Neogeen

Tijdens het Paleogeen en het Neogeen waren Nederland en Laag- en Midden-België grotendeels bedekt door een ondiepe zee, waarin vooral zand en klei werd afgezet. Tegen het einde van het Neogeen trok de zee zich langzaam terug. Op een strand van deze zee werden rond 3 miljoen jaar geleden de schelphoudende zanden van Nieuw-Namen afgezet. Waarschijnlijk stopte de afzetting van deze zanden hiermee niet, en zijn er boven op de afzettingen die in de groeve te zien zijn nog enkele tientallen meter vergelijkbare schelpzanden afgezet. Door latere erosie van deze afzettingen tijdens het Pleistoceen zijn uit dit pakket de schelpen overgebleven die nu in de dunne laag schelpenbreccie geconcentreerd zijn.

Pleistocene riviererosie

Na het definitieve verdwijnen van de zee uit het gebied hebben noordwaarts stromende rivieren uit het Scheldebekken tijdens de laatste 1 miljoen jaar het landoppervlak met minstens 10 tot 20 meter verlaagd. Doordat de tussenliggende afzettingen ontbreken is het onmogelijk de landschapsevolutie tijdens deze periode in detail te reconstrueren; alleen de grote lijnen zijn bekend. Mogelijk zijn in deze lange tussentijd de ijzerzandsteenbanken gevormd door ijzerverkitting van het zand. Het bewaard blijven van de heuvel van Nieuw-Namen heeft waarschijnlijk mede te maken met de aanwezigheid van deze harde en meer weerstand biedende ijzerzandsteenlagen.

De laatste ijstijd

Tijdens de laatste ijstijd (het Weichselien) was het gebied van Nieuw-Namen een toendra waar tijdens de koudste fasen slechts grassen, mossen en dwergstruiken groeiden. De bodem was geheel of gedeeltelijk bevroren. De winden bliezen over het nagenoeg onbeschermde land en zetten een dunne laag dekzand als een deken over het landschap af. Met de verbetering van het klimaat en de uitbreiding van de vegetatie bij het begin van het Holoceen, ongeveer 12.000 jaar geleden, kwam de erosiefase van de laatste ijstijd ten einde De zeespiegelstijging ten gevolge van het afsmelten van de grote landijskappen veroorzaakte een algemene verhoging van de grondwaterstand in het dekzandgebied, waardoor in de lagere delen van het landschap rond Nieuw-Namen veen ging groeien. Na de Romeinse Tijd veranderde het landschap rond de getuigeheuvel in een getijdengebied met slikken, schorren en geulen