33 Rupelvallei

De Rupel is de 12 km lange zijrivier van de Schelde waarin water van de Dijle, de Zenne en de Nete samenkomt. Vandaag is de Rupel een zoetwatergetijdenrivier met sterke getijdenstromen. Op de linkeroever loopt het Zeekanaal Brussel-Schelde vanaf Klein Willebroek parallel met de Rupel. De geosite omvat de alluviale vlakte van de Rupel. Tussen Bornem en Willebroek wordt de alluviale vlakte min of meer begrensd door de N16. De rechteroever van de Rupelvallei is steil en wordt gevormd door het front van de cuesta van Boom. 
 

51.094550479891, 4.3599039

Ontstaan van het landschap

Tijdens het Pleistoceen kwamen de voorlopers van de huidige rivieren van het Scheldebekken in de Vlaamse Vallei. De huidige Rupelvallei vormde op dat moment een tak van de Vlaamse Vallei, waarbinnen een vlechtende rivier stroomde die zand afzette. Op het einde van de laatste ijstijd nam de Schelde zijn huidige loop, en liep de Rupel met de Schelde door het ‘doorbraakdal van Hoboken’. Tijdens het laatglaciaal veranderde het vlechtend riviersysteem in een brede meanderende rivier. Langs de meanderende geulen ontstonden oeverwallen en kronkelwaardruggen: langgerekte zandige hoogtes, parallel met de rivier. Deze geulen en ruggen liggen in de Rupelvallei begraven onder jongere afzettingen, maar zijn soms nog herkenbaar in het microreliëf. Toen een bosvegetatie ontwikkelde startte de opvulling van de meandergeulen. Een allerlaatste koude fase zorgde voor een kaal landschap en de vorming van rivierduinen. In de Rupelvallei worden onder andere de verhevenheden binnen het Blaasveldbroek toegeschreven aan laatglaciale windwerking. 

Historische Rupelvallei

Toen landbouwers steeds meer bos gingen ontginnen ontstond een nieuw meanderend systeem, dat iglobaal overeenkomt met de huidige loop van de Rupel. Deze rivier overstroomde steeds vaker en vanaf de middeleeuwen kwam was er ook getijdenwerking. Omwille van de groeiende druk van het water en grotere bevolkingsdruk, werd de overstromingsvlakte van de Rupel ingedijkt. Dorpen en akkers bevonden zich op de zandruggen, terwijl de polders gebruikt werden als vloeiweiden: door dijken ’s winters door te steken, lieten overstromingen een vruchtbaar laagje slib achter en verhoogde men de hooiopbrengst. In de meest veenrijke zones werd sinds de late middeleeuwen turf gestoken waardoor natte depressies ontstonden. Vandaag worden deze zones herkend als natte, bosrijke gronden, met plassen als visvijvers. Het oorspronkelijke Kanaal van Willebroek werd in de 16e eeuw gegraven en verbond Brussel via Klein-Willebroek met de Rupel. In de 20e eeuw werd het kanaal gemoderniseerd en verbonden met de Schelde, waardoor Brussel bereikbaar bleef voor zeeschepen.