34 Barbierbeekvallei

De Barbierbeek is een lange waterloop in het stroomgebied van de Schelde en is de grootste beek van het Waasland. Tussen ca. 32 miljoen en 30 miljoen jaar geleden kwam een periode voor waarin de zee diep was en klei werd afgezet. Het resultaat is de Formatie van Boom: een pakket klei met een patroon van horizontale licht- en donkergrijze banden. Terwijl in het Noordzeebekken sedimentatie plaatsvond, zorgde platentektoniek in Zuid-Europa voor de vorming van verschillende gebergteketens. Door de opheffing van het land in het zuiden, daalde de aardkorst in het noorden en kwam de Formatie van Boom in een noordoostwaarts hellende positie terecht. Ten zuiden van de lijn Waasmunster – Temse – Rupelmonde kwam de laag bloot te staan aan erosie. De stevige klei van de formatie van Boom was beter bestand tegen erosie dan de onderliggende en bovenliggende zandlagen. Daardoor kon de Vlaamse Vallei zich diep insnijden in het zand, maar niet in de Boomse klei. Het resultaat is een cuesta.

51.165417336406, 4.3207601969242

Meanderende beek

Vermoedelijk werd de vallei reeds gevormd tijdens het laatglaciaal, tussen ca. 15000 en 12000 jaar geleden, door een voorloper van de Barbierbeek. In elk geval werd de Barbierbeek in de laatste paar duizend jaar een steeds belangrijker waterloop: het grondwaterpeil steeg tijdens het Holoceen en de waterafvoer nam toe. De slechte doorlaatbaarheid van de kleilaag van de Formatie van Boom versterkte dit effect. Door de toenemende ontbossing tijdens het Laat-Holoceen stond de bodem in het stroomgebied bovendien steeds meer bloot aan erosie en nam de sedimentlading van de beek toe. Dit resulteerde in zeer actieve sedimentatie- en erosieprocessen in de Barbierbeekvallei: meanders ontstonden

Vorming van de bolle akkers

De landschappen op de Wase cuesta waren omwille van de ongunstige bodem, namelijk een arme en natte zandbodem, tot in de middeleeuwen niet geschikt voor intensieve landbouw. Vanaf de late 15e eeuw ontstond in de regio rond de Barbierbeekvallei het gebruik om rond blokvormige percelen diepe grachten aan te leggen om de drainage en afvloeiing te verbeteren. De uitgegraven leemhoudende en kalkrijke grond werd op de akkers opgebracht en verbeterde zo de bodemvruchtbaarheid. Hierdoor kwam de akkerbodem hoger en droger te liggen dan de randen van het perceel. Vandaar de benaming ‘bolle akkers’. Ondanks dat vergelijkbare technieken ook elders in Vlaanderen toegepast werden, was deze bolvorm het meest uitgesproken en symmetrisch op de Wase cuestarug het bolle akkerlandschap tot op vandaag grotendeels bewaard is.