Brabantse Wal - Kalmthoutse Heide

De geosite Brabantse Wal - Kalmthoutse Heide is een groot en divers gebied met verschillende landschappelijke elementen en geologische fenomenen. Het onderscheidende kenmerk van het gebied is de steilrand van de Wal, die op grote schaal gezien recht is maar in detail heeft hij een sterk gelobd karakter met vooruitstekende 'kapen' en 'baaien' waarin duidelijk ingesneden beekdalen uitkomen. Ongeveer 2 miljoen jaar geleden, in het begin van het Pleistoceen, was het gebied van de Brabantse Wal onderdeel van een groot estuarium van Rijn en Maas, waarin vanuit het zuiden ook rivieren uit het Scheldebekken uitmondden. In dit estuarium werd tussen 2 en 1,6 miljoen jaar geleden een afwisseling van zandige en kleiige lagen afgezet die nu de ondergrond van de Brabantse Wal vormen.

51.383923382513, 4.4254867

Pleistocene rivier- en delta afzettingen met dekzand, Brabantse Wal

Vorming van de Wal

Na de afzetting van de Formatie van Waalre verplaatsten de lopen van Rijn en Maas en verdwenen daarmee uit het gebied. Vanaf ca. 1 miljoen jaar geleden kwam West-Brabant geleidelijk omhoog en werden de afzettingen uit het Scheldebekken weer geërodeerd. De stevige kleilaag aan de top van de Formatie van Waalre bood weerstand tegen deze erosie en zorgde voor het ontstaan van de steilrand. Van de lange periode van 1,5 miljoen jaar tussen de afzetting van de Formatie van Waalre en de laatste ijstijd zijn bijna geen sporen overgebleven. Alleen een dun grindlaagje op de klei scheidt de Vroeg-Pleistocene Formatie van Waalre van het Laat-Pleistocene dekzand. Het ‘Scheldegrind’ bleef achter nadat de fijnere delen uit deze afzettingen waren weggespoeld door beken of weggestoven door de wind.

Buitenplaats Mattemburg, Brabantse Wal

Einde van de laatste ijstijd

Op het einde van de laatste ijstijd stond het zeepeil veel lager en stond een groot deel van de Noordzee droog. Het gebied van de Brabantse Wal was onderdeel van een uitgestrekte poolwoestijn. In het droge en koude klimaat werd over het hele landschap door de wind een laag dekzand afgezet. In diezelfde periode stroomde de Schelde aan de voet van de Brabantse Wal van Antwerpen naar het noorden. Tijdens de Jonge Dryas, een laatste koude oprisping van de ijstijd, werden grote hoeveelheden zand uit dit Scheldedal op de flank en de hoge kant van de Brabantse Wal geblazen. Het zand werd boven op de Wal afgezet in een brede gordel van zogenaamde rivierduinen, die dikwijls een parabool- of sikkelvorm hebben. 

Fort Henricus West Brabantse Waterlinie, Brabantse Wal

Na de ijstijd

Door de verbetering van het klimaat na de laatste ijstijd raakte het landschap snel begroeid met bos. Hierdoor stopten de zandverstuivingen en stabiliseerden de rivierduinen zich. Vooral vanaf de Late Middeleeuwen zijn de Jonge-Dryas rivierduinen opnieuw gaan stuiven door de sterk toenemende menselijke invloed op het landschap. Mogelijk speelden ook klimaatveranderingen een rol, in de vorm van een toename in aantal en kracht van extreme stormen. Aan de oostrand van de duingebieden liggen lokaal opvallende steile en hoge kamduinen of stuifzandwallen die een duidelijke grens vormen met het veel vlakkere dekzandlandschap ten oosten ervan. Deze zijn ontstaan toen de mens de historische zandverstuivingen vastlegde door de hellingen te beplanten met eikenhakhout.

Kalmthoutse heide

Stijgend zeepeil na de ijstijd

Nergens in Nederland is de overgang van het dekzandlandschap naar de polders van het zeekleigebied zo abrupt als bij de Brabantse Wal. Van de 17de tot de 20ste eeuw werd het opgeslibde gebied stapsgewijs bedijkt vanaf de Brabantse Wal. Het opslibbingsniveau van de schorren volgt de stijging van het hoogwaterpeil, waardoor de jongste schorren hoger zijn opgeslibd. De oudste polders zijn bovendien gezakt doordat de ondergrond bestaat uit een dunne laag zeeklei op veen. Door de lagere ligging zijn de oudste polders natter dan de jonge. Dat effect wordt nog versterkt door grondwaterkwel vanaf de hoge zandgronden op de Brabantse Wal. Kleine en grotere groeven en uitgravingen in de steilrand van de Brabantse Wal getuigen van de vroeger in het gebied belangrijke baksteen- en kalkzandsteennijverheid. Hiervoor werden de klei- en zandlagen van de Formatie van Waalre en de bovenliggende dek- en stuifzanden ontgonnen.