Kreken- en dekzandgebied Sint-Margriete - Aardenburg

Deze grensoverschrijdende geosite omvat een vrijwel rechthoekig gebied met verschillende Nederlandse en Belgische kernen. Het gebied ontstond door een dunne laag dekzand dat werd geblazen op de met rivierafzettingen gevulde Vlaamse Vallei. Tijdens koude fases van het laatglaciaal vormde de wind op dit dekzand twee langgerekte zandruggen, die nog steeds aan het oppervlak herkenbaar zijn. Dit reliëf heeft een significante invloed gehad op de latere landschapsvorming. Tijdens een groot deel van het Holoceen bleven deze ruggen vrijwel onaangetasts. Vanaf de Middeleeuwen werden deze echter veranderd door getijdengeulen, aanleg van wegen en dijken en bebouwing.

51.264332701216, 3.5673568449676

Meetjesland Vrouwkenshoekkreek

Zeespiegelstijging & ontginning

De zeespiegelstijging tijdens het Holoceen stuwde ook het grondwater in de geosite omhoog. Hierdoor ontstond een moerasvegetatie in de laagtes tussen de zandruggen. Waar dit grondwater opborrelde, is veen ontstaan op het dekzand. Momenteel wordt aangenomen dat veen zeker voorkwam ten noorden van de meest noordelijke Aardenburgse zandrug. Het menselijk landgebruik is in dit krekengebied pas zichtbaar vanaf de middeleeuwen. Door ontbossing werden de woeste heidegronden gebruikt als graasgebied voor schapen. De systematische ontginning van het huidige krekengebied startte pas aan het einde van de Middeleeuwse ontginningsperiode.

Hollandersgatkreek

Overstromingen, bedijkingen en dijkdoorbraken

Ontwatering en ontginning van het veengebied deden het bodemoppervlak dalen. Hierdoor werd ook het achterland kwetsbaar voor de stormen en het springtij van de Westerschelde. Later braken stormen dan ook door de dijken en de Aardenburgse zandrug, die tot dan toe een natuurlijke zeewering vormde. Het water werd gestopt door een verhoogde weerdijk op de zandrug Sint-Laureins—Boekhoute. Deze dijk werd versterkt en is later gekend als de Graaf Jansdijk. 16e-eeuwse stormen waren opnieuw bijzonder destructief in het gebied. Tijdens de Tachtigjarige Oorlog werden de dijken van het Zwin om strategische redenen doorgestoken en ontstond het grote Coxydegat in het Zwingebied. De (zuid)oostelijke vertakkingen van dit gat bereikten ook de geosite en braken door de noordelijke zandrug, waardoor het Groote Gat, de Brandkreek en het Hollandse Gat ontstonden. Langs de bochtige Brandkreek is een verdedigingslinie opgericht, waar vandaag de landsgrens ligt. Tussen de twee dekzandruggen stroomde het water tijdens de overstromingen via de ontwateringsgrachten langs wegen en dijken met een lagere snelheid het gebied binnen, waardoor getijdengeulen en -kreken vrijwel uitsluitend verticaal uitsneden en de blokkige vorm van de overstroomde percelen in het kreekpatroon bijgevolg behouden bleef.

Boerekreek

Definitieve inpoldering

Na de Tachtigjarige Oorlog werd het overstroomde landschap tussen de late 17e en 18e eeuw opnieuw stapsgewijs bedijkt en systematisch ingepolderd in grote en regelmatige percelen, die voornamelijk als akkerland gebruikt werden. De karrenvelden ontstonden door het afgraven van klei voor de aanleg van de flankerende dijk. Restkreken, zoals de Blokkreek, Roeselarekreek en Boerekreek, bleven echter open. Waar dijken doorbraken, ontstonden ook diepe welen door het kolkende water. Deze doorbraken werden hersteld met ringdijken er rond. Ook in de latere eeuwen werden de polders opnieuw onder water gezet tijdens onafhankelijkheids- of wereldoorlogen om strategische redenen. Na de onafhankelijkheid van België moest het Leopoldkanaal zelfs worden aangelegd om het gebied in oost-westelijke richting te ontwateren. Na WOII deed de schaalvergroting van de landbouw veel oude landschapssporen verdwijnen.