Moervaartdepressie en dekzandrug

De Moervaartdepressie is een groot, laag gebied tussen Mendonk en Stekene in het noorden van de provincie Oost-Vlaanderen. De hoogteligging vertoont een microreliëf door de verschillende, laatglaciale landvormen in deze laagte. Vandaag stroomt de Zuidlede langs de zuidzijde en de Moervaart in het noorden van de depressie. De zuidrand is zacht hellend en grenst aan een vlak gebied met lage zandruggen. De noordelijke rand is steiler en grenst aan de steile zuidrand van de dekzandrug Maldegem-Stekene. De dekzandrug Maldegem-Stekene maakt deel uit van een groter complex van parallelle zandruggen met een oost-westelijke oriëntatie.
 

51.155934607588, 3.88922015

Warandekapel, Moervaartdepressie

Eind Weichsel Pleniglaciaal

De vorming van de dekzandrug Maldegem-Stekene en de Moervaartdepressie op het einde van het Weichsel pleniglaciaal houdt verband met een omkering in de stroomrichting van de Schelde van de Vlaamse Vallei naar het doorbraakdal van Hoboken de wind tijdens eindfase van het Weichsel pleniglaciaal een aaneengesloten serie parallelle zandruggen met westzuidwest-oostnoordoost oriëntatie vormde door de bestaande zandvlakte te herwerken. Tussen de cuesta van het Meetjesland en de Wase cuesta vormde een grotere, vrijwel aaneengesloten zandrug als het ware een natuurlijke dam over de grotendeels opgevulde Vlaamse Vallei. De noordwaartse afwatering werd hierdoor geblokkeerd en er ontstonden verschillende, ondiepe meren langs de steile zuidflanken van deze zandrug. De Moervaartdepressie is een overblijfsel van het omvangrijkste en best onderzochte van deze meren.

Warandekapel, Moervaartdepressie

Meer

Het laatglaciale meer van de Moervaartdepressie is herkenbaar in de ondergrond als een dikke laag die uit een afwisseling van kalkrijke, venige en zandige afzettingen bestaat. De kalkrijke, venige sedimenten vormden zich tijdens de warme, nattere fasen in een ondiep meer gelegen in een toendralandschap. Dit evolueerde stapsgewijs naar een dieper meer in een open berkenbos. De toegenomen neerslag, plantengroei en bodemvorming zorgden dat kalk in de dekzandrug op de meerbodem neersloeg. Tijdens een koudere fase vormde door de Durme een overloop aan de zuidoostkant van het meer. Hierdoor verlaagde het meerniveau en ontstond een meer waarin veen ontwikkelde. De vlechtende rivierstromen vielen weg en vulden met veen tot er maar één inloop overbleef. Deze laatste stroom evolueerde ongeveer 13000 jaar geleden naar een meanderende rivier, die het verdwenen meer doorsneed en aansluiting vond met de voormalige overloop (Durme).

Luchtfoto Moervaart

Midden tot Laat Holoceen

De bos- en heideontwikkeling op de dekzandruggen leidde tot de vorming van bodems die ongeschikt waren voor landbouw. Ontbossing leidde tot een sterk open heide- en graslandschap op de dekzandruggen. Nattere gebieden, zoals de Moervaartdepressie, werden minder intensief gebruikt en bleven bebost. De lagere bevolkingsdichtheid liet herstel van het natuurlandschap toe en een vrijwel aaneengesloten bosgebied ontstond. Intensieve ontginning van dit landschap startte vrij laat in de middeleeuwen onder impuls van de Vlaamse graven. Vanaf de 13e eeuw ontgonnen abdijen ook de Moervaartdepressie. Deze werd door middel van kanalen drooggelegd en omgevormd tot weiland. De turfkanalen vervoerden veen dat als brandstof werd ontgonnen. De impact van de abdijen op het landgebruik verminderde vanaf de late 16e eeuw. Tijdens de Spaanse Successieoorlog werd de Bedmarlinie aangelegd. In de tweede helft van de 18e eeuw ontstond in een nieuw cultuurlandschap. Dit cultuurlandschap bleef tot WOII vrij stabiel, waarna verbeteringen in landbouw, waterhuishouding en bewoning het cultuurlandschap geleidelijk hebben gewijzigd.