Oudlandgebied De Putting

De geosite is gelegen aan de oostkant van Zeeuws-Vlaanderen en is onderdeel van het grotere natuurreservaat De Grote Putting tussen Hengstdijk, Kloosterzande en Lamswaarde. In de loop van het Holoceen nam de snelheid van zeespiegelstijging af en ca. 3800 jaar geleden ontstond een nagenoeg gesloten kustbarrière. Door deze hoger gelegen zone aan de kust werd het achterland afgeschermd voor het getij en ontstond een groot zoetwatermoerasgebied, waarin veen groeide. Het veen groeide tot enkele meters dikte.  Vanaf enkele eeuwen voor onze tijdrekening werd de beschermende kustbarrière plaatselijk doorbroken. Zee-inbraken drongen vooral vanaf de Romeinse tijd steeds dieper landinwaarts door. In de loop der eeuwen werd een deel van het veen door getijdengeulen opgeruimd. Maar in sommige gebieden, zoals in de omgeving van De Putting, was er van zulke diepe erosie geen sprake. Hier zette de zee alleen een dunne laag sediment (klei en zand) af op het veen, dat daardoor begraven raakte en steeds verder samengedrukt werd. 
 

51.349159119857, 4.0210901

Uitzicht op weilanden van Oudlandgebied De Putting

Oudland

Het precieze moment van aanleg van de Hengstdijkpolder, waarin De Putting ligt, is onbekend, maar ligt in ieder geval voor 1161 na Chr. Sindsdien is het gebied nauwelijks meer door de zee overspoeld. Dit type land wordt ook wel Oudland genoemd. De Hengstdijkpolder is daarmee één van de oudste polders van Zeeuws-Vlaanderen. In De Putting is het grillige reliëf van het Oudland nog deels bewaard gebleven. De hoogteverschillen kunnen in dit geval meerdere oorzaken hebben. Hogere wallen in het landschap zijn ofwel kleine kreekruggen, ofwel stroken klei die bij het afgraven als walletjes naast de moerneringsputten zijn gelegd. 

Uitzicht op weilanden van Oudlandgebied De Putting

Kreekruggen en poelgronden

Hoewel grootschalige erosie in dit gebied niet heeft plaatsgevonden, zijn er in het Oudland wel kleine kreekjes in het veen uitgesleten. Die kreken zorgden voor ontwatering van het veengebied, waardoor het veen deels verging. Het veenoppervlak kwam daardoor lager te liggen en als gevolg werd vanuit de kreken bij hoog water een dunne kleilaag op het veen afgezet. Het gewicht van de klei drukte het veen nog verder in elkaar, waardoor het landoppervlak verder verlaagde.