Paleomeanders Kalkense Meersen en Berlare

De geosite bevindt zich langs de Benedenschelde, in de zoetwatergetijdenzone. Alle afgebakende deelgebieden liggen volledig binnen de Scheldevallei. Binnen de vallei liggen op de drie hoogtes de woonkernen van Donk, Uitbergen en Berlare. Ook de lagere delen binnen de vallei zijn niet vlak: daar zien we een afwisseling van langwerpige, boogvormige hoogtes en depressies met hoogteverschillen. De buitenbochten vormen op sommige plaatsen waterplassen, onder andere ter hoogte van Berlare Broek en het Donkmeer. 
 

51.013876925039, 3.9308483027786

Kronkelwaardruggen in huidige landschap

Ontstaan van het landschap

Tijdens het laatglaciaal wisselden koude en warmere fases elkaar af. Bij het begin van deze overgangsperiode ontwikkelde de Schelde zich van een vlechtende rivier tot een meanderende stroom. De rivier schuurde de buitenbochten verder uit, waardoor de geul naar buiten verplaatste. Terwijl de rivier migreerde, werd in de binnenbochten sediment afgezet. Daarnaast vormden zich kronkelwaardruggen en -depressies. Deze ruggen zijn afgedekt door jongere sedimenten, maar kunnen in de Kalkense Meersen en Overmere Donk nog in het landschap herkend worden. Uiteindelijk nam de rivier een kortere loop en werden de lussen afgesneden. De verlaten meanderbocht vormde dan een langgerekt hoefijzermeer. Dergelijke afgesneden paleogeulen vinden we terug de ondergrond van Kalkense Meersen, Wijmeersen, Bergenmeersen, Donk en Berlare Broek. Onder invloed van bosvegetatie en stabilisatie van de bodem, kwam er een einde aan de migratie van de meanders.

Kronkelwaardruggen in huidige landschap

Duinvorming

Tijdens de allerlaatste koude fase van het laatglaciaal werd de vegetatie voor de laatste keer getransformeerd tot een open toendra. In deze periode kreeg de wind weer vrij spel en pikte zand op uit de rivierbedding. Dit stuifzand vormde zandbanken en duinen langs de loop van de grote rivieren en worden vaak aangeduid als ‘donken’. Samen met de kronkelwaardruggen, bleven deze rivierduinen tijdens het Holoceen lang de enige droge locaties in de riviervalleien. Daarom oefenden ze een grote aantrekkingskracht uit op de  prehistorische mens, die bij voorkeur op droge grond, in de onmiddellijke nabijheid van water verbleef.

Eendenkooi, Kalkense Meersen - Berlare Broek

Opvulling van de vallei

Vanaf het Vroeg Holoceen ontwikkelden zich opnieuw bossen. Omdat deze neerslag beter vasthielden en erosie verhinderden, veranderde de Schelde in een kleine stroom binnen een moerasbos. Het stijgende waterpeil zorgde dat de diepe geulen volledig gevuld raakten met veen. Toen landbouwers steeds meer bos gingen ontginnen, kwam er door bodemerosie opnieuw meer sediment in de stroom terecht. Hierdoor eindigde de veengroei en ontstond een nieuw meanderend systeem met een kleinere afmeting. Deze rivier kwam min of meer overeen met de huidige loop van de Schelde. Regelmatige overstromingen vanaf de Romeinse periode lieten telkens een laagje sediment achter, zodat een kleipakket ca. 2m gevormd was.

Kalkense Meersen-Berlare Broek

Ontginning

De ingepolderde overstromingsvlakten in de Kalkense Meersen werden van de 16e eeuw tot de jaren 1960 gebruikt als vloeimeersen. Het veen uit de laatglaciale geulen in Berlare Broek, Turfput, Donkmeer en de Kalkense Meersen werd voor een groot deel uitgegraven van eind 17e eeuw tot begin 19e eeuw. De meeste waterplassen in het gebied zijn het gevolg van deze turfwinning. De Nieuwdonkvijver is een uitzondering en ontstond eind 20e eeuw door zandwinning.