Zoetwatergetijdengebied en polders Schelde

Deze geosite omvat de Benedenscheldevallei tussen de monding van de Dender en de Antwerpse ring. De Schelde is in die zone een zoetwatergetijdenrivier. Tussen de monding van de Durme en de Rupel tekent zich op de linkeroever van de Schelde de zuidflank van de Wase cuesta af. Tussen Rupelmonde en Brucht stroomt de Schelde door het doorbraakdal van Hoboken, een dal doorheen de Wase cuesta.

51.109062197327, 4.2110645174316

Ontspanning langs de Schelde

Ontstaan van het landschap

Tijdens het Pleistoceen kwamen de voorlopers van de huidige rivieren van het Scheldebekken samen in de Vlaamse Vallei. Op het einde van de laatste ijstijd werd deze afgedamd door de dekzandrug Maldegem-Stekene. Hierdoor ging de Schelde samen met de Rupel gebruik maken van het ‘doorbraakdal van Hoboken’. Tijdens het laatglaciaal veranderde het vlechtend riviersysteem in een meanderende rivier die zich diep insneed. Een allerlaatste koude fase zorgde voor een kaal landschap en duinvorming. Vanaf het Vroeg Holoceen ontwikkelden zich bossen,  waardoor de Schelde veranderde in een kleine stroom binnen een moerasbos. Het stijgende waterpeil leidde tot met veen gevulde geulen tijdens het Midden Holoceen. Later bereikte het getij de geosite, waardoor plaatselijk een kleilaag in het veen voorkomt. Uiteindelijk vormde zich over de Scheldevallei een ontoegankelijke, moerassige zone met broekbossen. 
 

 Scheldemeersen in de oorspronkelijke winterbedding van de Schelde

Nieuwe insnijding van de Schelde

Toen landbouwers vanaf het neolithicum steeds meer bos gingen ontginnen, kwam er door bodemerosie opnieuw meer sediment in de stroom terecht. Er ontwikkelde zich een nieuw meanderend systeem, met kleinere afmetingen van de geul. Deze rivier kwam in grote lijnen overeen met de huidige loop van de Schelde, behalve ter hoogte van Weert, waar de Schelde later zijn loop verlegde en de ‘Oude Schelde’ de voormalige loop markeert. Sinds het doorbreken van de kustbarrière in Zeeland enkele eeuwen v. Chr., drong het getij steeds verder landinwaarts door. In de vroege middeleeuwen bereikte het de regio rond Kruibeke. Ten zuiden van de cuesta blijft getijdeninvloed zeer beperkt tot ca. 1100 na Chr. Onder invloed van getijdenwerking ontstaan slikken en schorren.

Vlassenbroek - getijderivier de Schelde

Middeleeuwen en vroegmoderne tijd

Door de toenemende overstromingen en getijdenwerking tijdens de middeleeuwen, ontstond de noodzaak om de schorren in te dijken. Deze bedijkingen vonden plaats vanaf de 11e tot de 13e eeuw. Verschillende fasen van indijking namen stapsgewijs een steeds groter deel van de vallei in. Na indijking ontwikkelde het landschap zich in de binnendijkse polders en de buitendijkse getijdenzone langs de rivier. De polders werden meestal gebruikt als hooiweiden. Men verhoogde de hooiopbrengst door de dijken ’s winters door te steken, zodat overstromingen een vruchtbaar laagje slib achterlieten. Dankzij dit systeem van vloeimeersen, vormden de polders winstgevende gronden. De buitendijkse schorren waren geschikt voor de teelt van wijmen: de eenjarige twijgen van wilgen die gebruikt werden in de mandenmakerij en als rijshout voor de versteviging van dijken. Deze voormalige grienden zijn nu op veel plaatsen verbost, maar de grote soortenrijkdom wijst nog op het vroegere hakhoutbeheer

Zoetwatergetijdegebied en SIGMA overstromingspolder

Vechten tegen het water

De bedding van de Schelde werd in de loop van de tijd sterk uitgediept en verbreed door het toenemende getij, zoals blijkt uit het verschil in afmeting tussen de getijdenloze ‘Oude Schelde’ bij Weert en  de huidige Schelde. Delen van deze geosite zijn opgenomen in het Sigmaplan en worden ontpolderd of omgevormd tot gecontroleerde overstromingsgebieden met sluizen in de historische dijken langs de Schelde en nieuwe ringdijken rondom. Het gaat om Vlassenbroek, Wal-Zwijn, Lippenbroek, Schouselbroek, cluster Bornem, de polders van Kruibeke, Bazel en Rupelmonde en Burchtse Weel. Door deze ingrepen zal het getij de historische perceleringsstructuur geleidelijk doen vervagen.