Durmevallei

De hedendaagse Durme loopt van de samenvloeiing van de Zuidlede en de Moervaart ten zuiden van Klein Sinaai, tot de monding in de Schelde bij Tielrode. De geosite omvat de Durmevallei van Lokeren tot de monding. De Durme staat hier onder invloed van het getij en behoort tot de zoetwatergetijdenzone. Bij laagtij vult het water slechts een smalle zone binnen de Durmegeul.

51.095507735186, 4.1708252346558

Slikken en schorren van de Schelde aan de zijde Bornem/Weert. De overkant is Temse-Yoon Thoen

Ontstaan van het landschap

Tijdens het Pleistoceen kwamen de voorlopers van de huidige rivieren van het Scheldebekken samen in de Vlaamse Vallei. Op het einde van de laatste ijstijd werd deze vallei afgedamd door de dekzandrug Maldegem-Stekene en vormde de huidige loop van de Schelde. Aan de voet van de dekzandrug vormden zich tijdens de warmere fasen meren en een meanderende rivier die het meer in de Moervaartdepressie ontwaterde. Rond 12.850 jaar geleden droogde de Moervaartdepressie uit en de meandergeulen raakten gevuld met sediment en veen. Deze meanders zijn niet meer, maar worden teruggevonden als banden veen onder het kleidek van de Durmevallei. Tijdens het Laat Holoceen nam de afvoer van water en sediment opnieuw toe door de toenemende landbouw en daarbij komende erosie. Er ontwikkelde zich een nieuw meanderend systeem, met veel kleinere afmetingen dan zijn laatglaciale voorloper. Deze rivier kwam in grote lijnen overeen met de huidige loop van de Durme.

Groot getijdeverschil in sedimentrijke rivier

De getijden

Wanneer de Schelde tijdens de middeleeuwen een nieuwe verbinding met de Noordzee ontwikkelt, kwam de getijdenwerking dieper het Scheldebekken binnen. Hierdoor waren landbouwers vanaf de 13e eeuw genoodzaakt om de overstromingsvlakten van de Durme te bedijken. Deze polders werden meestal gebruikt als hooiweiden. Men verhoogde de opbrengst door de dijken ’s winters door te steken, zodat overstromingen een vruchtbaar laagje slib konden achterlaten. Dankzij dit systeem van vloeimeersen, vormden de polders winstgevende gronden. In de polders rond de Oude Durmearm ten zuiden van Sombeke zijn nog relicten aanwezig van deze traditionele weidebevloeiing. De buitendijkse schorren waren zeer geschikt voor de wijmenteelt: de eenjarige twijgen van wilgen gebruikt werden in de mandenmakerij en als rijshout voor de versteviging van dijken. Naast hooi- en wijmenteelt werd er bijvoorbeeld in De Bunt op grote schaal turf gewonnen. De turfputten zijn nu in gebruik als visvijvers. 

Slikken en Schorren in de Durmevallei

Toename van het getij

Tot het begin van de 19e eeuw was het getijdenverschil in de Durme klein en volstonden de zomerdijken om de meersen in de zomer droog te houden. Sindsdien is het getijdenverschil echter steeds gestegen. De uitzonderlijke combinatie van een groot getijdenverschil met een smalle rivier, zorgt bij springtij voor het zeldzame fenomeen van ‘vloedbranding’ of ‘mascaret’: de getijdengolf dringt als een muur van water de rivier stroomopwaarts binnen. Daarnaast werd de Durme afgesneden van haar bronnen door het kanaal Gent-Terneuzen. Daardoor nam het debiet van de rivier sterk af en bleef er meer zand en slib achter. Dit proces van dichtslibbing  en verzanding werd verder versterkt door het rechttrekken van enkele meanderbochten in de Durme in de jaren ’30 van de 20e eeuw, Daarom werden in het midden van de 20e eeuw potpolders aangelegd die bij hoog tij onderliepen en werd De Durme ook afgedamd.