Dintelse Gorzen

Deze geosite ligt in het buitendijkse gebied langs het Volkerak aan de monding van de voormalige getijdengeul de Steenbergse Vliet. Aan de westzijde wordt het gebied begrensd door het Schelde-Rijnkanaal. Oorspronkelijk waren de Dintelse Gorzen onderdeel van een brakwatergetijdengebied, doordat de zee de vrijwel aaneengesloten barrière van strandwallen doorbrak. Het getij drong door en het veenpakket in en rondom de geul werd weggesleten. Daarbuiten zette de zee opnieuw zand en klei op het veen af en vormde zich een getijdenlandschap van schorren, slikken, geulen en platen. De getijdenwerking is uit het gebied verdwenen sinds de afdamming van het Volkerak en de Oosterschelde.

51.627247683239, 4.2582120001316

Schorgebied in zout-zoet transitie, Dintelse Gorzen

Schorren, slikken en geulen

In een getijdengebied voert de vloed vanuit de zeegaten tweemaal per dag sediment (zand en klei) aan dat voor een deel in de kustvlakte wordt achtergelaten. Doordat zand wat zwaarder is en alleen door snelstromend water wordt vervoerd, wordt dat vooral in en langs de geulen afgezet. Tussen de geulen liggen platen die bij vloed overstromen. Bij vloed kan hier een dun laagje zand worden afgezet. De fijnere en lichtere kleideeltjes kunnen ook bij lage stroomsnelheid vervoerd worden en slaan vooral neer tijdens de stroomkentering, het omkeren van vloed naar eb. Platen die aan het vasteland of aan eilanden vastzitten worden slikken genoemd. De hoogste delen zijn de schorren, die alleen bij zeer hoog water (springtij en stormvloed) overstromen. Hier wordt het water via een vertakt stelsel van kleine stroomgeultjes aan- en afgevoerd. Op de schorren wordt vooral klei afgezet. Deze zijn daarnaast vaak begroeid met zoutminnende planten. Het deel van een getijdengebied dat alleen bij springvloed overstroomt wordt hier gors en verder noordelijk in het Nederlandse kustgebied kwelder genoemd

Schorgebied in zout-zoet transitie, Dintelse Gorzen

Bevroren landschap

Ook op het schor is er sprake van hoogteverschillen. Aan de rand van het schor is de waterdiepte bij vloed lager dan boven de aangrenzende plaat, en slaat het zand dat door het getij wordt aangevoerd neer zodra het water het schor overstroomt. De rand die hierdoor langs het schor kan ontstaan wordt een kwelderwal genoemd. In het geval van de Dintelse Gorzen is echter de invloed van het getij weggenomen door de afdamming van de Oosterschelde en het Volkerak.

De erosie en sedimentatie door het getij is gestopt waardoor de ontwikkeling van schorren, slikken, geulen en platen is stilgezet. In grote lijnen is de morfologie, de vorm van het landschap, hiermee als het ware bevroren in de tijd. Toch is het landschap sterk aan verandering onderhevig: door het gebrek aan getijdewerking krijgen andere processen een kans. Getijdengeulen verlanden, maar de Steenbergsche Vliet voert nog wel water af door het gebied. Hierdoor is er sprake van verzoeting van het milieu en kan bij hoge rivierwaterstanden nog sediment worden afgezet. Zo vindt een evolutie naar een zoetwaterrivieruiterwaard plaats, waarbij nieuwe plantensoorten het voormalig getijdengebied koloniseren. De voormalige schorren zijn tegenwoordig begroeid met struiken en bomen.