Oosterschelde

De Oosterschelde is het voormalige estuarium en monding van de rivier de Schelde, die in Noord-Frankrijk ontspringt en via België naar Nederland stroomt. Via het Hollandsch Diep en Volkerak ontving het ook een deel van de afvoer van de Rijn en de Maas. Sinds 1867 is de Oosterschelde echter afgesneden van zijn bronrivier de Schelde en sinds de voltooiing van de Deltawerken ook van de Rijn en de Maas. Aangezien de term ‘estuarium’ slaat op de monding van een rivier waar zoet en zout water met elkaar mengen, is de huidige Oosterschelde strikt genomen geen estuarium meer, maar een zeearm. 

51.56342827561, 3.9525442

Luchtfoto van de Oosterschelde

Het ontstaan van het landschap

De voorloper van de huidige Oosterschelde ontstond tussen 7400 en 6300 jaar geleden. Dit was toen een belangrijke getijdengeul die contact maakte met de Schelde bij de Brabantse Wal. Rond 3800 jaar geleden ontstond een opening in de strandwal die het achterliggende zoetwatermoerasgebied beschermde tegen inbraken vanuit de zee. Die opening was de monding van de rivier de Schelde. Eeuwen later werd deze Scheldemond weer dieper en breder uitgeschuurd en veranderde de hele kustvlakte opnieuw in een groot getijdengebied.

Tussen 700 en 800 na Chr. maakte één van die getijdengeulen verbinding met de toenmalige Schelde op de plaats van de huidige Westerschelde. Vanaf de 16e eeuw werd de Westerschelde de hoofverbinding van de Schelde met de zee. Hierin speelden verschillende stormvloeden een rol omdat vele dorpen en de stad Reimerswaal overstroomden. Hierdoor ontstond in dat gebied een veel bredere verbinding tussen de Oosterschelde en de Westerschelde. Dit veroorzaakte grote veranderingen in de getijdenstromingen en een breder en diepere monding van het estuarium. Vanaf het eind van de 19e eeuw werd de invloed van de mens steeds groter.

Krabbenkreek

Slikken, schorren, platen en geulen

Vanop de dijken langs de Oosterschelde zijn op veel plaatsen bij laag water een aantal kenmerkende landschapselementen van het estuarium te zien. De zogenaamde schorren (of kwelders) liggen het dichtst bij de dijk en zijn grotendeels begroeid. Zij zijn zo hoog opgeslibd dat ze nog slechts bij de hoogste hoogwaterstanden gedurende korte tijd overspoeld worden. Lager en verder van de dijk af liggen de slikken, die bij elk getij onder water komen te staan en onbegroeid zijn. Platen liggen net als slikken en schorren tussen hoog en laag water, maar zitten niet aan de oever vast en liggen dikwijls midden in de kilometers brede zeearm. De meeste platen zijn onbegroeid en doen door hun zandige bodem eerder aan een strand denken, in tegenstelling tot de slibrijke en ‘modderige’ slikken.
 

Bezoekers wandelen langs de getijdgeul Hammen in de gemeente Schouwen, Oosterschelde

Invloed van de mens; de Deltawerken

Na de stormvloedramp van 1953 werd begonnen met de Deltawerken. In 1986 werd de stormvloedkering voltooid als halfdoorlatende pijlerdam die volledig gesloten kan worden bij extreme waterstanden. Met het gereedkomen van de Oesterdam in 1986 en de Philipsdam in 1987 waren de Deltawerken rond de Oosterschelde voltooid. Door de Deltawerken is de Oosterschelde en haar waterhuishouding sterk gewijzigd. Het gemiddeld getijverschil, het getijvolume, de stroomsnelheden en de zoetwateraanvoer zijn afgenomen. Bij stormen spoelt zand van de bovenkant van de platen en slikken in de geulen en blijft daar liggen. Hierdoor vindt er netto afbraak van platen, slikken en schorren plaats. Het zand dat hierbij vrijkomt vult de geulen op tot die aangepast zijn aan de tragere getijdenstromingen en daarmee een nieuwe evenwichtssituatie. Tot die tijd lijdt de Oosterschelde aan zogenaamde ‘zandhonger’.