Oosterschelde

De Oosterschelde is het voormalige estuarium en de monding van de Schelde, die in Noord-Frankrijk ontspringt en via België naar Nederland stroomt. Via het Hollandsch Diep en het Volkerak kreeg het ook een deel van de afvoer van de Rijn en de Maas. Sinds 1867 is de Oosterschelde afgesneden van zijn bronrivier de Schelde en sinds de voltooiing van de Deltawerken ook van de Rijn en de Maas. Omdat de term ‘estuarium’ slaat op de monding van een rivier waar zoet en zout water zich mengen met elkaar, is de huidige Oosterschelde strikt genomen geen estuarium meer, maar een zeearm.  

51.639866520065, 3.70994

Location of the successive mouths of the Scheldt in Zeeland after the last ice age

Het ontstaan van het landschap

De voorloper van de huidige Oosterschelde ontstond tussen 7400 en 6300 jaar geleden. Het was toen een belangrijke getijdengeul die contact maakte met de Schelde bij de Brabantse Wal. Rond 3800 jaar geleden ontstond een opening in de strandwal die het achterliggende zoetwatermoerasgebied beschermde tegen inbraken vanuit de zee. Die opening was de monding van de Schelde. Eeuwen later werd die Scheldemond weer dieper en breder uitgeschuurd en veranderde de hele kustvlakte opnieuw in een groot getijdengebied. 

Tussen 700 en 800 n.Chr. maakte een van die getijdengeulen verbinding met de toenmalige Schelde op de plaats van de huidige Westerschelde. Vanaf de zestiende eeuw werd de Westerschelde de hoofverbinding van de Schelde met de zee. Daarin speelden verschillende stormvloeden een rol omdat veel dorpen en de stad Reimerswaal overstroomden. Daardoor ontstond in dat gebied een veel bredere verbinding tussen de Oosterschelde en de Westerschelde. Dat veroorzaakte grote veranderingen in de getijdenstromingen en een bredere en diepere monding van het estuarium. Vanaf het einde van de negentiende eeuw werd de invloed van de mens groter. 

Krabbenkreek (gemaakt door Marcelle Davidse)

Slikken, schorren, platen en geulen

Vanop de dijken langs de Oosterschelde zijn op veel plaatsen bij laagwater typische landschapselementen van het estuarium te zien. De schorren of kwelders liggen het dichtst bij de dijk en zijn grotendeels begroeid. Ze zijn zo hoog opgeslibd dat ze alleen nog bij de hoogste hoogwaterstanden even overspoeld worden. Lager en verder van de dijk liggen de slikken, die bij elk getij onder water komen en onbegroeid zijn. Platen liggen net als slikken en schorren tussen hoog- en laagwater, maar zitten niet aan de oever vast en liggen dikwijls midden in de kilometers brede zeearm. De meeste platen zijn onbegroeid en doen door hun zandige bodem eerder denken aan een strand, in tegenstelling tot de slibrijke, ‘modderige’ slikken. 
 

Bezoekers wandelen langs de getijdgeul Hammen (gemaakt door Annelien Bij de Vaate)

Invloed van de mens; de Deltawerken

Na de stormvloedramp van 1953 startten de Deltawerken. In 1986 werd de stormvloedkering voltooid als halfdoorlatende pijlerdam die volledig gesloten kan worden bij extreme waterstanden. Met de Oesterdam in 1986 en de Philipsdam in 1987 waren de Deltawerken rond de Oosterschelde klaar. Door de Deltawerken is de Oosterschelde en haar waterhuishouding sterk veranderd. Het gemiddelde getijverschil, het getijvolume, de stroomsnelheden en de zoetwateraanvoer zijn afgenomen. Bij stormen spoelt zand van de bovenkant van de platen en slikken in de geulen en blijft daar liggen. Daardoor is er netto afbraak van platen, slikken en schorren. Het zand dat vrijkomt, vult de geulen op tot die aangepast zijn aan de tragere getijdenstromingen en de nieuwe evenwichtssituatie. Tot die tijd lijdt de Oosterschelde aan ‘zandhonger’. 

Ever changing landscape Eastern Scheldt